Inbreng van een schenking

 

Inbreng van schenking onder oud recht
Tot 1 januari 2003 was de hoofdregel dat schenkingen aan kinderen moest worden verrekend met de latere erfenis van toepassing. De ouders konden van de hoofdregel afwijken door bij de gift of in het testament te bepalen dat de schenking niet hoefde te worden ingebracht. De ratio van deze regeling was dat elke bevoordeling door de erflater tijdens leven in beginsel een voorschot was op de toekomstige nalatenschap. Er werd naar gestreefd om alle erfgenamen een gelijk aandeel in de nalatenschap te doen toekomen.

Inbreng van schenking onder huidig recht
Vanaf 1 januari 2003 is de hoofdregel dat een schenking niet hoeft te worden ingebracht tenzij bij de gift of in het testament anders is bepaald. Het tegenovergestelde van vóór die tijd! Er is dus sprake van een systeemwissel. Bij een systeemwissel behoort overgangsrecht.

Inbreng van schenking en overgangsrecht
Het overgangsrecht bepaalt dat de inbrengplicht die bestond voor de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht blijft bestaan, tenzij bij de gift of uiterste wil anders is bepaald. Wanneer bij de schenking nog niet is bepaald dat de gift moet worden ingebracht dan kan dat achteraf bij testament alsnog worden geregeld.

Overigens
• de inbreng is beperkt tot maximaal het erfdeel van het kind
• de verplichting tot inbreng wordt gewaardeerd naar het tijdstip van het doen van de schenking
• de inbreng is alleen verplicht tot mede-erfgenamen
• het is verstandig de inbrengverplichting schriftelijk vast te leggen

Cijfervoorbeeld
De nalatenschap van de langstlevende bedraagt € 500.000. Kind A heeft bij leven een schenking ontvangen van € 100.000 onder de verplichting deze in te brengen in de nalatenschap. De fictieve nalatenschap bedraagt € 600.000. Kinderen A en B hebben ieder recht op € 300.000. Kind A heeft reeds € 100.000 ontvangen en ontvangt nu € 200.000. Kind B heeft recht op een aandeel van
€ 300.000. De erfenis van A en B bedraagt respectievelijk € 200.000 en € 300.000.